• nl
Taalkeuze

Eenheidsstatuut: Wat als de bediende ontslag neemt vanaf 2014?

Categorie: Eenheidsstatuut   Datum: 8/11/2013

Vanaf 2014 gelden er nieuwe opzeggingstermijnen. Dit betekent evenwel niet dat er geen rekening zal worden gehouden met de anciënniteit die een werknemer reeds bij de werkgever opbouwde vóór 2014. Ook het verleden komt dus in aanmerking!

In deze Nieuwsflash bespreken wij de situatie waarbij de bediende zelf een einde stelt aan zijn arbeidsovereenkomst waarmee hij reeds verbonden was met de werkgever vóór 1 januari 2014. 

De situatie waarbij de werkgever een einde stelt aan de arbeidsovereenkomst van een bediende komt ter sprake in de Nieuwsflash van 8 november 2013

Opmerking: Het onderstaande is gebaseerd op een Wetsontwerp. Het valt niet uit te sluiten dat hieraan nog wijzigingen worden aangebracht.

De bediende neemt zelf ontslag

De berekening van de opzeggingstermijn na te leven door een bediende met een arbeidsovereenkomst die een aanvang heeft genomen vóór 1 januari 2014 moet gebeuren in 2 stappen: 

  • Stap 1: De opzeggingstermijn wordt berekend op basis van de anciënniteit die verworven is op 31 december 2013; 
  • Stap 2: De opzeggingstermijn wordt berekend in functie van de anciënniteit verworven vanaf 1 januari 2014. 

Beide termijnen moeten opgeteld worden om de uiteindelijke opzeggingstermijn te bekomen.

Opmerking: Voor de berekening van de opzeggingsvergoeding gelden dezelfde bepalingen.

Stap 1: Foto op 31.12.2013

De berekening van de opzeggingstermijn (of opzeggingsvergoeding) gebeurt volgens de algemene bepalingen die gelden op 31 december 2013, dus alsof de bediende op 31 december 2013 uit dienst zou gaan. De bepaling van de opzeggingstermijn (opzeggingsvergoeding) is dus afhankelijk van het feit of men te maken heeft met een lagere bediende, een hogere bediende of een hoogste bediende. 

Teneinde discussies te vermijden, voorziet het Wetsontwerp voor de berekening van de verworven anciënniteit op 31 december 2013 in forfaitaire (vaste) MAXIMUM* opzeggingstermijnen ingeval van ontslag door de bediende. De opzeggingstermijn wordt dus niet berekend in onderling akkoord tussen de partijen.

De forfaitaire (vaste) opzeggingstermijnen waarmee rekening wordt gehouden bij ontslag uitgaande van de bediende: 

  • Lagere bediende (bruto jaarloon bedraagt maximum 32.254 EUR) : 1,5 maand per begonnen periode van 5 jaar anciënniteit, met een maximum van 3 maanden;
  • Hogere bediende (bruto jaarloon hoger dan 32.254 EUR maar lager dan of gelijk aan 64.508 EUR): 1,5 maand per begonnen periode van 5 jaar anciënniteit, met een maximum van 4,5 maanden;
  • Hoogste bedienden (bruto jaarloon hoger dan 64.508 EUR) : 1,5 maand per begonnen periode van 5 jaar anciënniteit, met een maximum van 6 maanden.

Stap 2: Anciënniteit vanaf 01.01.2014

De berekening van de opzeggingstermijn (of opzeggingsvergoeding) gebeurt volgens de bepalingen die gelden vanaf 1 januari 2014 en alsof de werknemer in dienst zou komen op 1 januari 2014. Iedere werknemer start op 1 januari 2014 dus met 0 jaar anciënniteit.

Klik hier voor de nieuwe opzeggingstermijnen vanaf 1 januari 2014. 

Totale opzeggingstermijn

De termijnen zoals bekomen na de berekening in stap 1 en de berekening in stap 2 worden opgeteld om de totale opzeggingstermijn te bekomen die de bediende moet respecteren indien hij zelf ontslag neemt vanaf 2014 (en reeds voordien ononderbroken in dienst was bij de onderneming). 

(*) Opgelet: Als het ontslag uitgaat van de bediende gelden er twee begrenzingen op de na te leven opzeggingstermijnen: 

Bij de berekening van stap 1 wordt de maximum opzeggingstermijn al bereikt

Indien het ontslag uitgaat van de bediende, moet geen rekening gehouden worden met de termijn zoals bekomen in stap 2 (= alsof de werknemer in dienst zou komen op 1 januari 2014) indien de berekening in stap 1 (= berekening van de anciënniteit verworven op 31 december 2013) reeds een opzeggingstermijn oplevert van:

  • Voor de lagere bedienden: maximum 3 maanden; 
  • Voor de hogere bedienden: maximum 4,5 maanden; 
  • Voor de hoogste bedienden: maximum 6 maanden. 

In bovenstaande gevallen dient dus enkel stap 1 uitgevoerd te worden met een maximum van 3, 4,5 of 6 maanden. 

Bij de berekening van stap 1 wordt de maximum opzeggingstermijn niet bereikt

Indien bij de berekening van stap 1 (= berekening van de anciënniteit verworven op 31 december 2013) een opzeggingstermijn van 3 maanden (lagere bedienden), 4,5 maanden (hogere bedienden) of 6 maanden (hoogste bedienden) nog NIET bereikt wordt, dan dient stap 2 uitgevoerd te worden. Bij ontslag door de bediende echter kan de totale opzeggingstermijn na toepassing van stap 1 én stap 2 maximum 13 weken bedragen. 

Er geldt dus een begrenzing van maximum 13 weken, ook al wordt een hoger resultaat bekomen na toepassing van stap 1 en stap 2.

Voorbeeld

Een lagere bediende (= het jaarloon bedraagt in 2013 niet meer dan 32.254 EUR)  is aangeworven op 1 juli 2004 en neemt ontslag in de loop van september 2016.

  • Stap 1: Berekening van de opzeggingstermijn alsof hij uit dienst zou gaan op 31 december 2013: de werknemer heeft negen jaar anciënniteit => 3 maanden (= maximale opzeggingstermijn voor de lagere bedienden op 31 december 2013);
  • Stap 2: Op grond van de specifieke bepaling die voorzien is voor ontslag uitgaande van de werknemer (= er moet geen rekening gehouden worden met de termijn zoals bekomen in stap 2 indien de berekening in stap 1 (op 31 december 2013) reeds een (maximum) opzeggingstermijn van 3 maanden oplevert), zal de opzeggingstermijn die door de werknemer in acht moet genomen worden in september 2016, dus 3 maanden bedragen.

Totale opzeggingstermijn te respecteren door de (lagere) bediende: 3 maanden.

Bron: