• nl
Taalkeuze

Nieuwe tariferingsregeling voor externe diensten vanaf 2016

Categorie: Sociaal   Datum: 18/12/2015

Het nieuwe KB van 27 november 2015 vormt de basis voor de nieuwe tariefregeling voor de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk. Deze treedt in werking vanaf 1 januari 2016.

De krachtlijnen van deze nieuwe regeling kunnen we voor u kort samenvatten:

Forfaitaire minimumbijdrage verdeeld over vijf tariefgroepen

Jaarlijks zullen de werkgevers aan hun externe dienst voor bescherming en preventie op het werk een forfaitaire minimumbijdrage per werknemer verschuldigd zijn. 

Het bedrag van deze forfaitaire minimumbijdrage per werknemer wordt dan weer bepaald aan de hand van de tariefgroep waartoe de werkgever behoort. 

Er wordt onderscheid gemaakt tussen vijf tariefgroepen, elke tariefgroep voorziet tevens in een verlaagde forfaitaire minimumbijdrage voor werkgevers met maximum 5 werknemers. 

Tariefgroep Algemene forfaitaire bijdrage Forfaitaire bijdrage voor werkgevers met max. 5 werknemers
1 41,50 EUR 35,50 EUR
2 60,50 EUR 51,50 EUR
3 75,50 EUR 64,00 EUR
4 95,50 EUR 81,00 EUR
5 112,00 EUR 95,00 EUR

Om uit te maken tot welke tariefgroep u als werkgever behoort, kunt u de lijst in bijlage aan het KB van 27 november 2015 raadplegen. Doorslaggevend is de hoofdactiviteit van de werkgever als juridische entiteit. De lijst geeft als indicatie de NACE-codes weer die bij elke tariefgroep passen.

Uw eigen NACE-code kunt u terugvinden via de KBO-databank. 

Deze minimumbijdrage is verschuldigd per werknemer die een volledig jaar via Dimona of het personeelsregister bij de werkgever ingeschreven staat. Voor de werknemers die geen volledig jaar in dienst zijn bij de werkgever betaalt de werkgever 1/12 van de forfaitaire minimumbijdrage per maand waarin de werknemer ten minste één dag geregistreerd werd.

De wijze en het tijdstip van betaling van deze bijdragen worden overgelaten aan de partijen.

Indexering tarieven

Voormelde tarieven worden jaarlijks op 1 januari geïndexeerd. De hierboven vermelde bedragen gelden vanaf 1 januari 2016 en zullen worden geïndexeerd bij stijging van de gezondheidsindex.

Prestaties: basispakket, preventie-eenheden en aanvullende prestaties

Tegenover deze forfaitaire minimumprestaties wordt een basispakket aan prestaties gezet die moeten worden geleverd door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk.

De inhoud van dit basispakket verschilt naargelang de grootte van het bedrijf, de aanwezige risico’s en het vormingsniveau van de interne preventieadviseur. 

De werkgevers van groepen C- en D – kleine en middelgrote onderneming met respectievelijk tussen de 20 en 200 werknemers of minder dan 20 werknemers – die niet beschikken over een interne preventieadviseur die beschikt over een vormingsniveau I of II, krijgen in ruil een reeks van algemene prestaties. Dit basispakket bevat o.a. de opstart, uitvoering en update van de risicoanalyse, het afleveren van een gemotiveerd beleidsadvies, …

Werkgevers van groepen A (meer dan 1.000 werknemers), B (tussen 200 en 1.000) en C+ (waarvan de interne preventieadviseur wel het vormingsniveau I of II heeft) hebben geen basispakket. De bijdrage van de werknemers wordt omgezet in preventie-eenheden. Een preventie-eenheid bedraagt 150 EUR en kan worden omgezet in prestaties door het personeel van de externe dienst voor preventie op het werk, zowel voor basisprestaties als aanvullende prestaties.

Het KB somt bovendien een aantal prestaties op die worden gezien als aanvulling op de basisprestaties en afzonderlijk kunnen worden aangerekend. 

Uitzondering

Een werkgever die beschikt over een eigen medisch departement belast met het uitvoeren van het gezondheidstoezicht moet geen forfaitaire bijdragen betalen.

Indien deze werkgever toch wenst gebruik te maken van de diensten van een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, kan hij vrij een overeenkomst sluiten met deze externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, zowel wat betreft de te leveren prestaties als de kostprijs hiervan.

De tarieven voor de aanvullende prestaties kunnen als richtlijn worden gebruikt, maar zijn niet verplicht te hanteren.

Elektronische inventaris

Om als werkgever toch nog het overzicht te bewaren, wordt de externe dienst verplicht om een elektronische inventaris bij te houden van de prestaties die hij per werknemer gedurende het jaar voor hem geleverd heeft.

Deze inventaris moet op elk ogenblik raadpleegbaar zijn en minstens volgende gegevens vermelden:

  • De datum van de prestatie;
  • De naam van de betrokken preventie-adviseur en zijn deskundigheid;
  • De beschrijving van de prestatie, desgevallend aangevuld met reglementaire bepaling die ze oplegt;
  • Desgevallend de verwijzing naar het kwaliteitshandboek van de externe dienst;
  • De adviezen en besluiten;
  • Naargelang het geval, de eisen opgelegd door de specifieke methodes die bij het uitvoeren van de prestatie werden gebruikt.

Specifiek voor de werkgevers uit de categorie A, B en C+ moet deze inventaris ook de kostprijs uitgedrukt in preventie-eenheden bevatten.

Waarborg

Wanneer blijkt dat de externe dienst manifest tekortschiet door de prestaties die hij moet leveren in ruil voor de forfaitaire bijdrage, niet te leveren, dan kan de werkgever de externe dienst in gebreke stellen. Worden de prestaties na deze aanmaning nog steeds niet uitgevoerd, dan is de werkgever de forfaitaire minimumbijdrage niet verschuldigd.

Bron: