• nl
Taalkeuze

Permanente afwijkende ontslagregeling voor arbeiders in bouwsector is discriminerend

Categorie: Sociaal   Datum: 18/09/2015

In een arrest van 17 september 2015 heeft het Grondwettelijk Hof zich uitgesproken over bepaalde artikelen van de wet van 26 december 2013 betreffende het eenheidsstatuut. 

Permanente afwijkende opzeggingstermijnen na 31 december 2017

De wet op het eenheidsstatuut voert in principe uniforme opzeggingstermijnen in voor arbeiders en bedienden voor de anciënniteit die opgebouwd wordt vanaf 1 januari 2014. 

De wetgeving voorziet dat er voor bepaalde arbeiders tijdelijk of permanent geen toepassing gemaakt moet worden van deze nieuwe, uniforme opzeggingstermijnen maar van afwijkende opzeggingstermijnen.

In het arrest wordt de regeling die voorziet in permanente afwijkende opzeggingstermijnen aangevochten door verscheidene vakbonden en individuele verzoekers. De tijdelijke afwijkende overgangsregeling inzake opzeggingstermijnen die geldt tot 31 december 2017 wordt niet aangevochten.

De wetgeving stelt dat de afwijkende opzeggingstermijnen verder moeten worden toegepast na 31 december 2017 (dus permanent toepassen) indien:

  1. De opzeggingstermijnen die gerespecteerd moeten worden op 31 december 2013 lager zijn dan de termijnen voorzien in CAO nr. 75;
  2. De werknemers geen vaste plaats van tewerkstelling hebben;
  3. De werknemers op tijdelijke en mobiele werkplaatsen één (of meerdere) van volgende activiteiten uitvoeren:   
    • graafwerken;
    • grondwerken;
    • funderings- en verstevigingswerken;
    • waterbouwkundige werken;
    • wegenwerken;
    • landbouwwerken;
    • plaatsing van nutsleidingen;
    • bouwwerken;
    • montage en demontage van, inzonderheid, geprefabriceerde elementen, liggers en kolommen;
    • inrichtings- of uitrustingswerken;
    • verbouwingswerken;
    • vernieuwbouw;
    • herstellingswerken;
    • ontmantelingswerken;
    • sloopwerken;
    • instandhoudingswerken;
    • onderhouds-, schilder- en reinigingswerken;
    • saneringswerken;
    • afwerkingswerkzaamheden behorende bij één of meer werken bedoeld in de hierboven opgesomde punten.

Het Hof komt tot de conclusie dat het permanent hanteren van afwijkende opzeggingstermijnen een permanent verschil in behandeling zou laten voortbestaan tussen arbeiders en bedienden wat de opzeggingstermijnen betreft die niet berust op een redelijke verantwoording.

Het Hof stelt dan ook dat het artikel dat voorziet in permanente afwijkende opzeggingstermijnen moet worden vernietigd.

Het Hof zegt dat de gevolgen van het vernietigde artikel tot uiterlijk 31 december 2017 moeten worden gehandhaafd.

Uitsluiting van het recht op ontslagcompensatievergoeding indien werknemer recht heeft op afwijkende opzeggingstermijnen?

De wet op het eenheidsstatuut riep de ontslagcompensatievergoeding in het leven. Deze vergoeding, die ten laste is van de RVA, heeft als doel om een compensatie te voorzien voor het feit dat de toepassing van de stapsgewijze berekening van de opzeggingstermijn nadelig is voor de arbeiders; in stap 1 (m.n. de berekening van de opzeggingstermijn op basis van de anciënniteit op 31 december 2013) houdt men immers rekening met de oude (vaak korte) opzeggingstermijnen.

Om de ontslagcompensatievergoeding te bepalen wordt er een vergelijking gemaakt tussen de opzeggingstermijnen berekend op basis van de overgangsregeling - t.t.z. stap 1 (m.n. de berekening van de opzeggingstermijn op basis van de anciënniteit op 31 december 2013) + stap 2 (m.n. de berekening van de opzeggingstermijn op basis van de anciënniteit vanaf 1 januari 2014) - en de opzeggingstermijn berekend alsof de arbeider zijn anciënniteit volledig zou opgebouwd hebben in de nieuwe regeling (die geldt vanaf 1 januari 2014). Het verschil tussen beide berekeningen is de ontslagcompensatievergoeding.

De wetgeving voorziet dat onder meer werknemers die vanaf 1 januari 2014 tijdelijk of definitief onder een afwijkende regeling inzake opzeggingstermijnen vallen, geen recht hebben op deze ontslagcompensatievergoeding.

Het Hof heeft besloten dat ook deze bepaling een schending uitmaakt van het gelijkheidsbeginsel en bijgevolg vernietigd moet worden. De gevolgen van deze bepaling moeten wel tot uiterlijk 31 december 2017 worden gehandhaafd.

Bron:

  • KB van 29 juni 2014 tot wijziging van artikel 19bis, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, BS 24 juli 2014, 55539.