• nl
Taalkeuze

Werkgeversbijdragen voor externe diensten voor preventie en bescherming op het werk: nieuwe tarieven vanaf 1 januari 2016!

Categorie: Sociaal   Datum: 30/05/2014

Het KB van 24 april 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk wat betreft de tarifering, hervormt het financieringssysteem van de externe diensten: de nadruk van het huidige tariferingssysteem ligt immers te sterk op gezondheidstoezicht, tot nadeel van de andere activiteiten, voornamelijk in het kader van het risicobeheer. Bovendien is de huidige regeling onvoldoende transparant, waardoor het voor een werkgever niet steeds duidelijk is welke prestaties hij juist van zijn externe dienst kan vragen in ruil voor de betaalde bijdrage. In het besluit wordt dan ook niet alleen een nieuwe berekeningsbasis voor de bijdrage aan de externe dienst voorgesteld; er wordt tevens vastgelegd welke prestaties de externe dienst moet leveren aan een werkgever in ruil voor deze bijdrage, met een betere spreiding van dit takenpakket over de verschillende welzijnsdomeinen.

De voorgestelde regeling zal de bestaande afdeling IIbis van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk vervangen met ingang van 1 januari 2016

Tarieven

De werkgevers worden ingedeeld op basis van hun hoofdactiviteit (zoals aangegeven in bijlage bij het besluit) en hun grootte: er zijn twee minimumtarieven voor bedrijven met meer dan 5 werknemers, een standaardtarief (87 EUR) en een verlaagd tarief (52 EUR), en twee tarieven voor bedrijven met 5 of minder werknemers (55 en 35 EUR respectievelijk). De tarieven, evenals de andere vermelde bedragen worden gekoppeld aan de gezondheidsindex, en zullen telkens op 1 januari van het jaar worden aangepast als deze index het voorgaande jaar overschreden werd.

Berekeningsbasis

De bijdrage wordt berekend per werknemer: er wordt m.a.w. afgestapt van een financieringsbasis die is gebaseerd op het aantal al dan niet aan gezondheidstoezicht onderworpen werknemers. Voor werknemers die minimum 45 kalenderdagen bij een werkgever zijn geregistreerd, is de forfaitaire minimumbijdrage verschuldigd. Voor werknemers die minder dan 45 dagen bij een werkgever werken wordt per geleverde prestatie betaald, volgens de tarieven die in de overeenkomst tussen externe dienst en werkgever worden vastgelegd. 

Takenpakket in ruil voor de forfaitaire bijdrage

Welke prestaties de externe dienst moet leveren in ruil voor de forfaitaire minimumbijdrage is afhankelijk van de grootte van het bedrijf, de aanwezige risico’s, en de vorming van de preventieadviseur van de interne dienst van de werkgever:

1. Voor werkgevers die behoren tot groep D (minder dan 20 werknemers, en waarbij de werkgever zelf de functie van preventieadviseur uitoefent) of C- (minder dan 200 werknemers, en waarbij de preventieadviseur niet minstens beschikt over een aanvullende vorming van niveau II) wordt in het KB een basispakket vastgelegd dat de externe dienst in ruil voor de minimumbijdrage moet leveren. Als er prestaties moeten worden uitgevoerd die niet zijn opgenomen in het basispakket, mag de externe dienst hiervoor afzonderlijk aanrekenen volgens de tarieven die bepaald worden voor extra prestaties. Het basispakket omvat o.a. actieve medewerking aan de risicoanalyse, het uitvoeren van voorafgaande en periodieke gezondheidsbeoordelingen, spontane raadplegingen, het verlenen van bijstand n.a.v. een ernstig arbeidsongeval, het uitvoeren van bepaalde opdrachten in het kader van psychosociale aspecten, het afleveren van een gemotiveerd beleidsadvies, enz. 

2. Voor werkgevers die 5 of minder werknemers tewerkstellen (de zgn. micro-ondernemingen), geldt hetzelfde als onder punt 1, met één belangrijke uitzondering: voorafgaande en periodieke gezondheidsbeoordelingen zijn voor deze werkgevers niet in het basispakket inbegrepen (daarentegen: spontane raadplegingen, onderzoeken bij werkhervatting e.d.m. zijn inbegrepen). Deze beperking van het basispakket komt tot uiting in het verlaagd tarief. Wanneer op basis van de toepasselijke regelgeving (KB Gezondheidstoezicht) blijkt dat er in een micro-onderneming werknemers worden tewerkgesteld die onderworpen zijn aan gezondheidstoezicht, dan moeten deze prestaties uiteraard wel worden geleverd door de externe dienst, maar dienen zij afzonderlijk te worden aangerekend, en dit moet verplicht gebeuren aan de tarieven voor extra prestaties. 

3. Voor werkgevers van groep A (+ 1000 werknemers, of zeer hoge risico’s), B (+ 500 werknemers of hoge risico’s), en C+ (minder dan 200 werknemers, en waarbij de preventieadviseur minstens beschikt over een aanvullende vorming van niveau II) wordt geen basispakket vastgelegd. Voor deze bedrijven geldt dat het bedrag van de forfaitaire minimumbijdrage wordt omgezet in preventie-eenheden die door de werkgever kunnen worden opgenomen via prestaties vanwege de externe dienst. De regels voor omzetting en opname van deze preventie-eenheden zijn vastgelegd in het KB. 

Uitzondering: bedrijven met een eigen intern medisch departement

Wanneer een werkgever beschikt over een eigen medisch departement dat belast is met het uitvoeren van het gezondheidstoezicht (dat deel uitmaakt van de eigen interne dienst of van de gemeenschappelijke interne dienst waarbij de werkgever is aangesloten), is hij geen forfaitaire minimumbijdrage verschuldigd. Als een dergelijke werkgever toch een beroep doet op een externe dienst, moet hij hiervoor een overeenkomst sluiten met een externe dienst waarin uitdrukkelijk wordt vastgelegd welke prestaties de externe dienst zal leveren en tegen welk tarief.

Tarieven voor extra prestaties

Met het oog op transparantie, ook buiten het uitvoeren van het basispakket, wordt er eveneens een tarief bepaald voor prestaties die worden geleverd buiten het forfait en die afzonderlijk moeten worden aangerekend, bv. voor prestaties bovenop of buiten het basispakket. 

Transparantie in de tariferingsregeling: de elektronische inventaris

Opdat een werkgever steeds een duidelijk overzicht zou hebben van de prestaties die een externe dienst gedurende het jaar voor hem heeft geleverd, zal de externe dienst voortaan op elektronische wijze een inventaris moeten bijhouden, die door de werkgevers op elk moment online kan worden geraadpleegd.

Waarborg

Wanneer blijkt dat de externe dienst de prestaties die hij moet leveren in ruil voor de door de werkgever betaalde forfaitaire bijdrage, niet heeft geleverd, dan kan de werkgever de externe dienst in gebreke stellen. Als de externe dienst na deze aanmaning nog steeds niet optreedt, en dus in gebreke blijft om zijn prestaties alsnog uit te voeren, dan is de werkgever de forfaitaire minimumbijdrage niet (meer) verschuldigd.

Bron: 

  • KB van 24 april 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk wat betreft de tarifering, BS 23 mei 2014, 40857.