Federale ministerraad geeft groen licht voor flexi-jobs in alle sectoren!
Door te flexi-jobben kunnen werknemers en gepensioneerden in bepaalde paritaire (sub)comités bijverdienen onder gunstige voorwaarden.
Het Federaal Regeerakkoord 2025-2029 voorziet verschillende wijzigingen aan het flexi-jobstatuut.
Recent gaf de federale ministerraad groen licht hiervoor.
Uitbreiding toepassingsgebied flexi-jobtewerkstelling naar private en publieke sector
Sinds de invoering van de flexi-jobs eind 2015 in de horecasector, werd het toepassingsgebied systematisch uitgebreid.
Vanaf 1 juli 2026 zou flexi-jobtewerkstelling mogelijk worden in de gehele private en de publieke sector met respect voor de toegangsregels die gelden voor de beschermde beroepen in deze sectoren.
Onder bepaalde voorwaarden zou een sector evenwel kunnen opteren om een flexi-jobtewerkstelling:
- geheel of gedeeltelijk uit te sluiten;
of
- opnieuw geheel of gedeeltelijk toe te laten.
Voor de private sector blijven de bestaande modaliteiten inzake uitsluiting en hernieuwde toelating behouden. Voor de publieke sector wordt een afzonderlijke regeling uitgewerkt.
Zorgfuncties mogelijk via flexi-jobtewerkstelling
Momenteel mogen functies die taken omvatten behorend tot het materiële toepassingsgebied van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen niet als flexi-job uitgeoefend worden. Denk bijvoorbeeld aan taken als verpleegster en kinesist.
Vanaf 1 juli 2026 zouden deze taken wel als flexi-jobber kunnen worden uitgeoefend.
Daarmee wil men de continuïteit in de zorg waarborgen met respect voor de vereiste diploma’s en kwalificaties die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het zorgberoep.
Daarnaast wordt de mogelijkheid om het gebruik van flexi?jobs te beperken tot een proportioneel deel van het totale arbeidsvolume uitgebreid naar de volledige private en publieke gezondheidssector, inclusief de kinderopvang.
Behoud uitsluiting voor artistieke functies
Momenteel mogen geen artistieke, artistiek technische en artistiek-ondersteunende functies die activiteiten omvatten zoals bepaald door de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers , uitgeoefend worden in het kader van een flexi-jobtewerkstelling.
Dit verbod blijft behouden.
Aanpassing voorwaarden flexi-jobtewerkstelling in T-3 en T
Om als flexi-jobber tewerkgesteld te kunnen worden moeten bepaalde voorwaarden vervuld worden in T-3, het derde kwartaal voorafgaand aan het kwartaal waarin men een flexi-job uitoefent) en T het huidige kwartaal en geldt er een bijkomende prestatievoorwaarde voor de uitoefening van een flexi-job.
Minimale tewerkstellingsvoorwaarde in T-3
Een werknemer die als flexi-jobber aan de slag wil bij één of meerdere andere werkgever(s) moet in het derde kwartaal dat aan de tewerkstelling in de flexi-job voorafgaat (T-3 ) al een tewerkstelling hebben die minimaal gelijk is aan 4/5de van een voltijdse job van een referentiepersoon van de sector waarin de 4/5de tewerkstelling wordt gepresteerd.
Deze voorwaarde geldt momenteel niet voor werknemers die in het referentiekwartaal T-2 gepensioneerd zijn. Het gaat om alle personen die een wettelijk, bestuursrechtelijk of statutair ouderdoms-, rust-, anciënniteits- of overlevingspensioen of een ander als zodanig gelden voordeel genieten. Een overgangsuitkering komt niet in aanmerking.
Vanaf 1 juli 2026 zou deze minimale tewerkstellingsvoorwaarde niet gelden voor werknemers die in het referentiekwartaal T gepensioneerd zijn.
Onverenigbaarheden in kwartaal T
Niet met een andere arbeidsovereenkomst tewerkgesteld zijn bij de werkgever bij wie hij de flexi-job uitoefent
Tijdens het kwartaal T, het kwartaal van tewerkstelling als flexi-job, gelden diverse onverenigbaarheden.
Een flexi-jobber mag noch voorafgaandelijk, noch bijkomend tewerkgesteld zijn onder een andere arbeidsovereenkomst of statutaire aanstelling bij dezelfde werkgever bij wie hij de flexi-job uitoefent.
Een uitzondering wordt voorzien voor de werknemer die in de loop van het kwartaal kan wijzigen van een flexi-jobtewerkstelling naar een andere type arbeidsovereenkomst of via een statutaire aanstelling.
Vanaf 1 juli 2026 zou deze voorwaarde niet gelden voor uitzendkrachten op voorwaarde dat het uitzendkantoor de flexi-jobber niet bij dezelfde gebruiker ter beschikking stelt als uitzendkracht en als flexi-jobwerknemer.
Beperking van tewerkstelling bij verbonden werkgever
Sinds 2024 is het niet meer mogelijk om een flexi-job uit te oefenen bij een onderneming die verbonden is met een vennootschap waar de werknemer een arbeidsovereenkomst heeft voor een tewerkstelling van 4/5de of meer van een voltijdse job van een referentiepersoon.
Deze verbondenheid wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van artikel 1.20 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen.
Het Federaal Regeerakkoord 2025-2029 voorziet in het opheffen van dit verbod voor voltijdse werknemers.
Vanaf 1 juli 2026 zou de voorwaarde dat de flexi-jobber in kwartaal T niet mag werken bij een verbonden onderneming, niet gelden voor een reguliere voltijdse werknemer die tewerkgesteld is bij een verbonden onderneming of bij één of meer andere, al dan niet verbonden ondernemingen.
Met “een reguliere voltijdse tewerkstelling” wordt bedoeld dat een werknemer bij een of meer andere werkgevers al een tewerkstelling heeft die minimaal gelijk is aan een voltijdse job van een referentiepersoon van de sector waarin deze tewerkstelling wordt gepresteerd.
Deze uitzondering geldt ook voor uitzendkrachten. Deze kunnen dus ook voor een verbonden onderneming van het uitzendkantoor als flexi-jobber aan de slag voor zover zij reeds voltijds ter beschikking gesteld worden door dat uitzendkantoor.
Aanpassing maximaal uurloon in kader van flexi-jobtewerkstelling
Sinds 1 januari 2024 werd uitdrukkelijk een maximaal flexi-loon vastgelegd. Dit bedraagt 150% van het minimale basisloon van de sector dat van toepassing is voor de uitgeoefende functie of het GGMMI. Een bij KB algemeen verbindend verklaarde cao kan een afwijkend maximum voorzien. Het doel is loonexcessen vermijden.
Voor de horecasector voorziet ontwerpwetgeving dat het flexiloon maximaal 21 EUR per uur mag bedragen. Dit bedrag zal aangepast worden cf. indexcijfer der consumptieprijzen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971.
Ook hier kan een bij KB algemeen verbindend verklaarde cao evenwel een afwijkend maximum voorzien.
In de andere sectoren (niet de horeca) zal de begrenzing van 150 % van het minimale basisloon niet meer van toepassing zijn op het flexiloon maar op het basisloon dat deel uitmaakt van het flexiloon.
Hierdoor zal niet meer het flexiloon (inclusief vergoedingen, premies en voordelen) begrensd worden, maar enkel het basisloon. Premies of toeslagen die niet algemeen geldend zijn bij de werkgever op basis van algemene wettelijke of reglementaire bepalingen maken deel uit van het basisloon.
Bovenvermelde wijzigingen zijn momenteel nog niet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en bijgevolg nog aan wijzigingen onderhevig.
Bron:
- Berichtgeving Federale ministerraad van 30 april 2026 ‘Diverse bepalingen inzake flexi-jobs – Tweede lezing’;
- Wetsontwerp van 8 mei 2026 houdende diverse bepalingen inzake flexi-jobs (DOC 56 1526/001)
Dit bericht delen: