Gelegenheidsarbeid in de land- en tuinbouwsector
Gelegenheidsarbeid in de land- en tuinbouwsector is onderworpen aan een bijzondere sociale regeling, zowel op het vlak van het aantal dagen dat onder het statuut van gelegenheidsarbeider mag worden gewerkt als op het vlak van de berekening van de RSZ-bijdragen, die gebeurt op basis van een forfaitair dagloon.
Een koninklijk besluit van 17 december 2023 voorzag in een aantal wijzigingen vanaf 1 januari 2024.
De Raad van State heeft dat koninklijk besluit vernietigd omdat het leidde tot discriminatie van uitzendkrachten die werkzaam waren bij gebruikers in deze sectoren (paritaire comités 144 en 145): zij kwamen niet in aanmerking voor de gewijzigde - hogere - contingenten.
Het koninklijk besluit van 14 april 2026 herstelt de situatie met terugwerkende kracht door die ongelijkheid op te heffen.
Het voert ook nieuwe regels in voor de indexering van de forfaitaire daglonen die als basis dienen voor de berekening van de RSZ-bijdragen.
Contingent dat niet mag worden overschreden om als gelegenheidsarbeider te worden beschouwd
Gelegenheidsarbeiders mogen vanuit het oogpunt van de RSZ maar een beperkt aantal dagen werken. Dat maximaal aantal dagen wordt het contingent genoemd.
Het contingent blijft ondanks de nietigverklaring door de Raad van State van de wettekst, ongewijzigd, behalve voor uitzendkrachten.
Tuinbouw (PC nr. 145)
De werknemers mogen maximaal 100 dagen per kalenderjaar bij een of meerdere werkgevers werken, tenzij het werk bestaat uit het aanplanten en onderhouden van parken en tuinen (PSC nr. 145.04).
Landbouw (PC nr. 144)
De werknemers mogen maximaal 50 dagen per kalenderjaar bij een of meerdere werkgevers werken (werkzaamheden op de eigen gronden van de werkgever of de gebruiker).
Er is een bijzondere regeling voor de sector met betrekking tot het fokken van dieren (NACE-code 01.4 of 01.5): handarbeiders die werken in een onderneming met als hoofdactiviteit een activiteit die betrekking heeft op het fokken van dieren en onder de NACE-code 01.4 of 01.5 valt, mogen maar 100 halve dagen per jaar als gelegenheidsarbeider werken voor het melken, voederen en verzorgen van de dieren en het schoonmaken van de stal.
Uitzendkrachten in de land- en tuinbouwsector
Uitzendkrachten waren gebonden aan het oude contingent van de sector waarin ze werkten: 65 dagen in de tuinbouw en 30 dagen in de landbouw. Het koninklijk besluit van 14 april 2026 maakt een einde aan die ongelijkheid door hun contingent op te trekken naar respectievelijk 100 en 50 dagen.
Cumulatie van contingenten
Als werkzaamheden bij werkgevers of gebruikers die onder het paritair comité 145 (tuinbouw) vallen, worden gecombineerd met werkzaamheden bij werkgevers of gebruikers die onder het paritair comité 144 (landbouw) vallen, bedraagt het contingent 100 dagen per werknemer en per kalenderjaar. Als de gelegenheidsarbeider een gelegenheidsactiviteit in de horeca uitoefent, is de cumulatie van de verschillende activiteiten eveneens beperkt tot 100 dagen per kalenderjaar.
Overzichtstabel van de contingenten
|
|
Van 01.01.2024 tot 31.12.2026 |
|
Tuinbouw (PC 145) |
100 dagen (inclusief witloofteelt en champignonteelt) |
|
Landbouw (PC 144) |
50 dagen, met uitzondering van de sector m.b.t. het fokken van dieren (NACE-codes 01.4 en 01.5) |
|
Sector m.b.t. het fokken van dieren (NACE-codes 01.4 en 01.5), inclusief uitzendkrachten |
100 halve dagen |
|
Cumulatie van contingenten |
100 dagen |
|
Uitzendkrachten |
100 dagen + 50 dagen |
Onder halve dag moet worden verstaan een periode van 4 uur tussen middernacht en twaalf uur ‘s middags of tussen twaalf uur ‘s middags en middernacht. Als het aantal uren wordt overschreden of bij overlapping tussen twee periodes, worden deze als twee halve dagen geteld.
Voor de sector met betrekking tot het fokken van dieren die onder de NACE-code 01.4 of 01.5 valt, wordt één dag beschouwd als twee halve dagen.
De mogelijkheid om halve dagen te werken gold niet voor uitzendkrachten: die situatie wordt rechtgezet via het koninklijk besluit van 14 april 2026. Deze wijziging treedt in werking op 1 januari 2024.
Berekeningsbasis voor de lonen - forfaitaire daglonen
Socialezekerheidsbijdragen van gelegenheidsarbeiders worden berekend op basis van een wettelijk vastgesteld forfaitair dagloon en niet op basis van het werkelijke loon van de werknemer.
Het koninklijk besluit van 17 december 2023 had nieuwe forfaitaire bedragen vastgesteld. De Raad van State heeft dat koninklijk besluit nietig verklaard. Het koninklijk besluit van 14 april 2026 voorziet in nieuwe forfaitaire bedragen die geldig zijn vanaf 1 januari 2024. Je vindt die op de website van de RSZ.
Indexeringsmechanisme
Sinds 1 januari 2026 geldt er een nieuwe indexeringsmethode voor de forfaitaire daglonen: ze worden elk jaar op 1 januari geïndexeerd, op dezelfde manier als de loonevolutie in de sector.
De forfaitaire daglonen worden ook aangepast bij een absolute verhoging van het GGMMI. Als die verhoging in de loop van het kwartaal plaatsheeft, worden de forfaitaire bedragen aangepast op de eerste dag van het daaropvolgende kwartaal.
Als die verhoging samenvalt met het begin van een kwartaal, worden de forfaitaire bedragen aangepast op de eerste dag van het betrokken kwartaal.
Bron(nen):
- koninklijk besluit van 14 april 2026 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, B.S. 22 april 2026
Dit bericht delen: